Besprekingen ´Ons soort mensen´


De Morgen, door Dirk Leyman, 1 juni 2011
Hard Hoofd, door Jan Postma, 7 juni 2011
Vrij Nederland, door Carel Peeters, 14 juni 2011
De Standaard, door Sofie Gielis, 10 juni 2011


1. De Morgen, Dirk Leyman, 1 juni 2011




Scherpe columniste

De Nederlandse filosofe en juriste Marjolijn Februari maakte naam met schrandere essays én gooide als romancière hoge ogen met het vaak genomineerde De literaire kring (2007). Als columniste heeft ze zowel een podium in NRC-Handelsblad als de Volkskrant, waar ze opvalt door haar genuanceerde manier waarop ze Nederlandse politieke en maatschappelijke problemen doorgrondt. `Haar werk kan gezien worden als een oproep om te studeren, onderzoek te doen en werkelijk te willen begrijpen hoe de wereld in elkaar steekt´, zo prees de jury Februari toen ze in 2007 de Frans Kellendonkprijs ontving.

Die attitude handhaaft ze in Ons soort mensen,haar gebundelde columns. `Als je jarenlang met ijzeren volharding een krantencolumn schrijft, verander je jezelf uiteindelijk meer dan dat je de wereld verandert. De geschiedenis raast onaangedaan verder, zelf stel je voortdurend je standpunten bij.´ Februari kan onverwacht scherp uit de hoek komen: `We doen steeds minder en we duiden steeds meer.´ (DL)




2. Online tijdschrift Hard Hoofd, Jan Postma, 7 juni 2011




Onlangs kwam `Ons soort mensen´ uit, een verzameling van de columns van Marjolijn Februari. Deze rechtsfilosoof is een van de interessantere auteurs van Nederland en haar werk is moralistisch zonder te drammen. Haar essayistische columns getuigen van een nuchtere betrokkenheid die in Nederland zeldzaam is. Ze fladdert al filosoferend door de publieke arena, en analyseert al fluitend het strijdgewoel.

`De vos weet veel dingen, maar de egel weet één groot ding.´ Dit intrigerende zinnetje, een van de weinige overgeleverde flarden tekst van de Griekse dichter Archilochus, vormde voor de Brits-Letse filosoof Isaiah Berlin de aanleiding voor een prachtige analyse van het gespleten genie van Lev Tolstoi, in zijn essay The Hedgehog & The Fox (1953).
Bij oppervlakkige lezing komt de vos er behoorlijk bekaaid af. Hij zou sluw zijn, voortdurend nieuwe streken uithalen en door nieuwe ideeën gegrepen worden. Terwijl de egel, zelfverzekerd en beheerst, met één groot idee in de wereld staat. Dit doet echter geen recht aan Berlins argument. Vossen halen geen `streken´ uit en worden niet steeds door nieuwe ideeën `gegrepen´. Hun voszijn is geen kwestie van onevenwichtigheid. Het fundamentele verschil tussen de vos en de egel is dat de eerste in zijn denken en doen, zich bewust van de complexe werkelijkheid, alle kanten op schiet en een veelheid aan soms tegenstrijdige dingen nastreeft, terwijl de laatste de neiging heeft alles wat hij doet en denkt te relateren aan een groot overkoepelend idee of principe. De vos denkt centrifugaal, de egel reductionistisch.

De vos Februari

Voor wie op de achterflap van Ons Soort Mensen leest hoe ze achtereenvolgens beschreven wordt als schrijver, filosoof en jurist, zal duidelijk zijn dat Marjolijn Februari in haar doen en laten meer weg heeft van een vos dan van een egel. Aangezien het om een bundeling columns gaat, is het verleidelijk aan te nemen dat dit in zekere zin onvermijdelijk is. Steeds maar weer iets anders aanpakken zit toch in de aard van de columnistiek. Maar wie oplet kan zien dat veel columnisten iedere dag, week, of maand exact hetzelfde neerpennen.

Bij Februari niets daarvan. Alles wijst erop dat ze iedere keer dat ze begint met schrijven probeert zonder vooroordelen na te denken. De Franse filosoof Alain Finkielkraut schreef in zijn laatste essaybundel `Een intelligent hart´ dat grote literatuur de lezer bevrijdt van denk-automatismen. Iets soortgelijks geldt voor de essayistiek - het genre komt doorgaans het best tot zijn recht wanneer een eventueel argument van ondergeschikt belang is aan de werdegang van het idee. Bij aanvang van het denken mag de uitkomst niet zonder meer vastliggen.
Die neiging het denken zelf bloot te willen leggen, blijkt uit even nonchalante als openhartige zinnen als: `Ik heb sterk de behoefte hier eens een pleidooi te houden voor individualisering.´ Of: `Over klokkenluiden bij de overheid en in bedrijven kun je namelijk beter niet schrijven, want alle aandacht daarvoor heeft in de afgelopen tien jaar meer kwaad dan goed gedaan. Waarom schrijf ik er dan toch over? Uit een romantisch verlangen de wereld te verbeteren, ben ik bang. Zelfs als de wereld er slechter van wordt.´
Dat `naakte´ denken is natuurlijk heel prettig voor de lezer, het maakt zaken inzichtelijk door dilemma´s bloot te leggen, maar belangrijker is dat het ook echt ergens over gaat. Februari slaag erin complexe problemen ook als zodanig te presenteren, zonder uit het oog te verliezen dat het niet om puur filosofische of theoretische vraagstukken gaat. `Betrokken´ is misschien de beste manier om haar te karakteriseren.
De rechtsfilosofie kent volgens Februari twee grote thema´s: de verhouding tussen de staat en het recht, en de verhouding tussen recht en moraal. Dat dit soort begrippen niet louter abstracties zijn maakt ze keer op keer duidelijk door de werkelijkheid haar denken binnen te trekken. Ze lijkt zich er zeer van bewust dat wie dat niet doet het risico loopt mensen, echte mensen die niet alleen op papier bestaan, tekort te doen. En dat besef raakt aan de kern van het verschil tussen egels en vossen.

`Als god niet bestaat, is alles geoorloofd´ echoot een van de broertjes Karamazov in Dostojewski´s gelijknamige roman het oerargument van de egel. Zo´n egel verschuilt zich achter Grote Ideeën of Verhalen. Daarbij wordt voor het gemak aangenomen dat zonder zo´n overkoepelend systeem een moraal onmogelijk is. Februari bewijst nog maar eens dat dit onzin is: ze is een moralistische vos. Ze snuffelt, bemoeit zich overal mee, denkt zonder a priori´s na over een veelheid aan vraagstukken, maar weet daarover vrijwel altijd tot een oordeel of originele gedachte te komen.


Eenmansdenktank

Februari heeft zichzelf ooit beschreven als een `eenmansdenktank´, iemand die `wat rondhangt in de maatschappij´. En inderdaad, ze fladdert al filosoferend wat rond in de publieke arena. Terwijl beneden op de vloer het opstuivende zand het strijdgewoel, voor het publiek op de tribune, aan het zicht onttrekt, fluit ze een wijsje dat je nooit gehoord hebt, maar meteen herkent. Want haar stukken lezen betekent meegetrokken worden in haar bewondering, verwondering of verontwaardiging.
Die verontwaardiging, sinds jaar en dag het belangrijkste kenmerk van de geëngageerde schrijver, is bij Februari van hoog niveau. Intellectuelen - politici, schrijvers, columnisten, wetenschappers - die zich gemakzuchtig engageren met de vrijheid van meningsuiting hebben we in dit land genoeg. Februari ergert zich groen en geel aan de commentatoren die, zoals Søren Kierkegaard stelde, `vrijheid van meningsuiting slechts eisen als compensatie voor de vrijheid van denken die ze zelden gebruiken.´
Februari´s verontwaardiging richt zich in de eerste plaats op het onrecht dat individuen aangedaan wordt door een starre overheid of een wegkijkende maatschappij. Asielzoekers die het slachtoffer dreigen te worden van een `klimaat´ of klokkenluiders die tien jaar na hun noodkreet nog altijd met niet aflatende rancune bejegend worden. Op zulke momenten gedraagt Februari zich als een waakhond die gromt naar de baas die zijn eigen huis leegrooft. Ze weet dat ze gehoord wordt, maar ze weet ook dat het waarschijnlijk zinloos is.

Het bovenstaande citaat over het schrijven over klokkenluiders komt uit een stuk over integriteitsbeleid. Ze doet de rake observatie dat een overheid die vertrouwen van haar burger eist niet snapt dat vertrouwen iets is dat gebeurt op basis van wederkerigheid. `De remedie tegen het afnemende vertrouwen in de overheid,´ schrijft Februari `ligt dan ook in het bieden van betrouwbaarheid.´
Een leidend principe of overkoepelend wereldbeeld zul je niet snel tegenkomen in Ons soort mensen. Maar wie met alle geweld toch een eenduidige les uit het werk zou willen trekken, vindt in die observatie een mooi aanknopingspunt. Dat belang van op wederkerigheid berustende vertrouwen is een mooi voorbeeld van Februari´s even lichte als diepgevoelde overtuiging dat het nu eenmaal wel zo gemakkelijk is als iedereen, inclusief de overheid, zich een beetje fatsoenlijk gedraagt. Dat is moralisme waar geen groot verhaal voor nodig is. Maar het heeft weinig van doen met het belegen fatsoen uit de normen-en-waardenjaren van Balkenende. Dat ontbeerde vooral een geloofwaardig verhaal, het leek weinig meer te behelzen dan een reeks even vanzelfsprekende als gratuite oproepen aan het adres van de losgeslagen burger. `Gooi je afval in de prullenbak en schop na het uitgaan alsjeblieft geen mensen dood.´

Levensdrift

Mooiste voorbeeld van Februari´s uiterst nuchtere moralisme is misschien haar verwondering over de hardnekkigheid van de beschrijving van artikel 1 van de grondwet als `het gelijkheidsbeginsel´, in een column over de SGP en de positie van vrouwen binnen de partij. Ze legt uit dat deze benaming berust op een misverstand. Het artikel behelst juist een ongelijkheidsbeginsel: het gaat niet om de plicht gelijk te zijn, maar om het recht verschillend te zijn en toch gelijk behandeld te worden. Geen vrouwelijke priesters? Ga je gang. Homo´s uitsluiten van de sacramenten? Soit. Maar de helft van de bevolking een stemrecht ontnemen, dat gaat nou weer net even te ver.
Voor het bevolkingsdeel dat niet regelmatig in de kerk zit, is toegesproken worden vanaf de kansel iets wat snel gaat vervelen. Zelfs de meest nuchtere moralist loopt het risico drammerig over te komen. Dat Februari dit weet te vermijden is het gevolg van het schrijf- en denkplezier dat van de stukken afspat. Een column over de vermarkting van de samenleving begint bijvoorbeeld als volgt: `Een vrouw in een bloemenzaak. Ze legt een klein boeket op de toonbank en kijkt er tevreden naar. `Dat is het geworden?´ vraagt de bloemist. `Ja,´ zegt de vrouw en ze verschikt nog wat aan de bloemen. `Ik vond het zo´n leuke prijsklasse.´´
In een ander stuk komt het woord `leuk´ terug, wanneer ze het zelf heeft gebruikt en iemand haar daarop aanspreekt. Ze schrijft: `Maar, mopperde ik, één keertje mag ik toch wel zondigen? Als het werkelijk nodig en welhaast onvermijdelijk is. Kom op nou, zei ik. Leef een beetje.´ Hoewel het natuurlijk niet meer is dan een geestige anekdote, zegt het wel iets over Februari. Ze zal de `verleuking van de samenleving´ niet snel verdedigen, maar dat dat zou betekenen dat je een woord principieel niet mag gebruiken, is nonsens: hoofd- en bijzaken.

Je kunt je Marjolijn Februari moeilijk voorstellen als studeerkamerfilosoof of in zichzelf gekeerde schrijver. Haar betrokkenheid, en haar neiging overal rond te snuffelen, zijn een gevolg van een hunkering naar het leven. `Levensdrift, dat bewonder ik enorm´, zei ze in een VPRO Marathoninterview. Ze had het toen duidelijk over andere mensen, maar met haarzelf zit het wat betreft levensdrift ook wel goed. Veel filosofen en schrijvers lijken samen te vallen met Socrates´ doodgeciteerde woorden dat alleen `het onderzochte leven´ het `leven waard is´. Februari zal zich kunnen vinden in Mark Twains tegenwerping: `The unexamined life may not be worth living, but the life too closely examined may not be lived at all.´

Inderdaad, kom op nou. Leef een beetje.




3. Vrij Nederland, Carel Peeters, 14 juni 2011




Wie het gedicht ´k Ben Brahman. Maar we zitten zonder meid´ van J.A. dèr Mouw kent, begrijpt meteen hoe Marjolijn Februari denkt. Net als Dèr Mouw begeeft ze zich met haar columns in NRC Handelsblad in de ingewikkeldste filosofische dilemma´s, maar evenals Dèr Mouw probeert ze zich ook bij de gewone, concrete werkelijkheid te houden en daar minstens zo op gesteld te zijn als Dèr Mouw op zijn meid. Wanneer Dèr Mouw zich herinnert dat de vingertoppen van de meid gespleten waren voelde hij `éénzelfde adoratie branden/Voor Zon, Bach, Kant, en haar vereelte handen´.
Het samengaan van de filosoof Kant en de realistische vereelte handen van de meid: om zo´n combinatie gaat het ook bij Februari. Om het simpele en ingewikkelde, grote en kleine, het abstracte en concrete, om het geheel en de details, het individuele en collectieve. Februari´s zorg is speciaal de bescherming van het individuele, het simpele, concrete, het detail en het wonderlijke, al weet ze dat we niet zonder het grote en abstracte kunnen. Dit zorgt in de bundeling van haar columns in Ons soort mensen voor een uniek soort lichtvoetige essayistiek over onderwerpen van gewicht.

Februari is een Alice in columnistenland. Ze probeert met dezelfde soort verbazing en verwondering naar het doen en laten van economen, rechters, politici en bureaucraten te kijken. Ook al is ze juriste en filosofe, ze probeert de gewoonste vragen te stellen in de discussies over artikel 1 van de grondwet, over de moraal, de rechtstaat, de oorlogen, Lucia de B., de elite of het populisme. Februari probeert grote onderwerpen in de juiste proporties te zien. Ze verkleint ze wanneer ze zichzelf uitvergroot hebben. Ze heeft regelmatig de aanvechting de taal `schoon te spuiten´.

Moderne Alice ontleedt ons chaotische bestaan

Februari speelt met succes de intelligente simpele ziel, de originele idiote savante die constateert dat iedereen te hoog is opgeleid en dat daarom de dingen niet meer gewoon gebeuren. We nemen de stomste beslissingen door alleen maar op ons verstand af te gaan. We durven niet meer dom te zijn. We verschansen ons in abstracties, rapporten, onderzoeken, concepten, evaluaties en targets en zijn de les van George Orwell vergeten dat de doodgewone concrete werkelijkheid nooit uit het oog mag worden verloren. Het verbaast mij niet dat een van Orwells erfgenamen, de Amerikaanse socioloog Richard Sennett, ook van tijd tot tijd bij Februari opduikt. Hij is de schrijver van het boek over de geschiedenis van mensen die met hun handen werken, The Craftsman.

De Portugese dichter Fernando Pessoa deelde zichzelf op in vijf personages, ieder met een eigen biografie. Ze hadden allemaal een ander karakter. Zo was Alberto Caeiro de dichter als de simpele ziel. Voor hem moest poëzie helder als een druppel water zijn. Een bloem was voor hem een bloem. Er zat niets achter. Dat bevalt Februari. Voor haar moeten de dingen ook wel eens simpel zichzelf kunnen zijn. Ze weet veel te goed hoe gelaagd een beschaving is en hoe lastig het daardoor is een beetje beschaving in stand te houden. In aanleg is alles ingewikkeld, maar de intelligente simpele ziel maakt het liever niet erger dan het is.
Net als in haar vorige bundeling van columns, Park Welgelegen uit 2004, heeft Februari de stukken simpel achter elkaar gezet en ontbreekt een namenregister. Het is dat deze columns helemaal niets hebben van de slaperige Zevenslaper in Alice, anders zou dat een bezwaar zijn. Nu blijf je er wakker van.


4. De Standaard, Sofie Gielis, 10 juni 2011




Ons soort mensen bundelt de krantencolumns van Marjolijn Februari. Het zijn snedige en spitse miniatuurtjes die de waan van de dag moeiteloos overstijgen.
Marjolijn Februari voelt zich in verschillende sferen thuis. Haar debuut was een van de hoogtepunten van de Nederlandstalige postmoderne roman, ze publiceerde haar doctoraat over economie en ethiek als een roman, stelde een bloemlezing samen over God, en haar jongste, ironische roman De literaire kring was kanshebber voor De Gouden Uil en de Libris Literatuurprijs.
Ook de columnbundel is vertrouwd terrein voor Februari. In 2004 publiceerde ze al een selectie columns onder de titel Park Welgelegen en nu is er Ons soort mensen, een verzameling columns van haar hand die verschenen in de Volkskrant en NRC Handelsblad.

De nachtwacht

Eigenlijk is een column een vreemd gegeven. Je mening staat op een piëdestal, dus je bent min of meer verplicht je elke week druk te maken over een ander thema. Daarbij leeft de dualiteit van de essayist (die een waarheid uitdraagt die hij al schrijvend zoekt) ook in de columniste Februari. Vaak zijn de omstandigheden niet column-optimaal: de zon schijnt, de schrijfster verlangt naar een glas rosé op een terrasje en heeft geen behoefte aan drama, meningen of polemiek en toch zijn er onderwerpen die haar mening nodig hebben en wachten de krantenregels om geschreven te worden - ´je hebt je verantwoordelijkheden nu eenmaal niet zelf voor het kiezen.´

En die verantwoordelijkheden zijn niet licht. Februari is een poortwachter van de democratische maatschappij. Ze bewaakt de menselijke vrijheid, wapent zich tegen ´moreel graaien´ en politieke uitholling van vertrouwde woorden. De truc is om altijd op je hoede te zijn en vragen te blìjven stellen. Over de regels die de samenleving bepalen en de onzin die politici uitkraaien, maar ook over triviale onderwerpen als het nut van prullenbakken, het woord ´leuk´ en ´dat opgeblazen gevoel´ waar lezeressen van vrouwenbladen schijnbaar mee te kampen hebben. Er is maar één feit dat Februari gelaten aanvaardt: ´Ik zal me er voorlopig maar bij neerleggen dat het hard werken is, de beschaving.´

Geen doorsneetrein

Hoewel haar columns vaak reageren op de actualiteit, overleven ze de krant van de dag door hun ironische toon en spitse wendingen. De stukken leggen uit zonder uitleggerig te zijn. Februari maakt van ver-van-mijn-bed-thema´s als de maatschappelijke positie van de kunst of de Europese grondwet prangende, interessante en persoonlijke kwesties. Bovendien doet ze dat met een schijnbaar nonchalante flair en voegt ze er vaak een vette knipoog aan toe, zodat je denkrimpels overgaan in lachrimpels (en omgekeerd).

Februari weet hoe ze moet prikkelen. Wie wil niet weten hoe een column eindigt die start met een eerste zin als ´De schrijvende vrouw is een soort idiot savante´ of ´Een geheimzinnig pakketje met de islam erin´ als titel? Maar de weg naar dat einde is vaak nog verrassender dan het begin doet vermoeden. Er wordt wel vaker beweerd dat je een tekst onrecht aandoet door er zinnen uit te isoleren in een citaat, maar voor de teksten uit Ons soort mensen telt dat dubbel. Februari´s zinnen vormen treintjes die elkaar voorttrekken, maar anders dan doorsneetreinen durven haar schakels al eens te ontsporen of van de staart de locomotief te maken. Beschouw de zinnen die ik er hier uitlicht dan ook niet als de eersteklassewagons, maar als snelle blikken door het raam op het voorbijflitsende landschap.

Ons soort mensen bestaat uit korte stukken die ontstonden als wegwerpgedachten op krantenpapier, maar die hun plaats in het boekenrek meer dan verdienen. De columns bieden Februari´s flexibele geest in miniporties. Een handvol per dag houdt je ingedommelde, ironische poortwachter wakker.




© 2011-2017 Maxim Februari