Nawoord bij Franz Kafka, Verzameld werk, uitgave Querido




Als je Kafka leest, kan het gebeuren dat na verloop van tijd een gevoel van ademnood je overvalt, alsof je te weinig hebt gegeten. Je wordt onrustig en nerveus, met pijn in je maag en de onregelmatige ademhaling van een anorexiapatient. Je kunt nu twee dingen doen: de onrust op een filosofische manier interpreteren als een bewustzijn van de dominantie van het metafysisch schuldbegrip, of het boek wegleggen en een ei gaan bakken. Voor beide reacties zijn goede gronden aan te wijzen in het werk van Kafka.

Onschuld

De schrijver David Mairowitz begint zijn boek ‘Introducing Kafka’ met de sensationele mededeling dat Franz Kafka zijn leven lang tientallen zorgvuldig uitgewerkte manieren bedacht om te sterven. Ter illustratie citeert hij Kafka’s droom over het hakmes van een varkensslager, ‘dat snel en met mechanische regelmaat op mij inhakt en scheermesdunne plakjes afsnijdt, zo snel dat ze in het rond vliegen’. Onder dit citaat staat in het boek van Mairowitz een tekening waarop de dunne plakjes Kafka inderdaad in het rond vliegen.
Het is, als je ervan houdt, een grappig beeld, en deze hilarische vorm van zelfhaat en zelfmutilatie kom je overal in het werk van Kafka tegen. De personages worden vermoord en gemarteld, ze krimpen, verdwijnen, raken verstrikt en gevangen, ze duiken weg, veranderen in een een reusachtig insect, lopen als muis regelrecht in hun val, ze zijn een brug en storten in, ze kunnen geen woord meer uitbrengen en hongeren zichzelf uit totdat ze er dood bij neervallen.
Onder deskundigen en Kafkakenners ontstaat soms de neiging zulke passages in het werk van Kafka autobiografisch uit te leggen. Doe je dat bij andere schrijvers, dan heet zoiets al gauw een doodzonde, maar je moet toegeven dat Franz Kafka zelf uitnodigt tot dit psychologiseren. Hij roept het alleen al over zichzelf af door in een brief, gericht aan zijn vader, maar vervolgens voor iedereen te lezen, op de verpletterende invloed te wijzen die zijn opvoeding heeft gehad op zijn literaire werk. De brief is geen aanklacht. De zoon probeert de schuld van zijn onzekerheid niet regelrecht een ander in de schoenen te schuiven: hij maakt integendeel een minitieuze analyse van de wisselwerking tussen macht en volgzaamheid, tussen een oppermachtige vader en een pijnlijk gehoorzame zoon. Toch kun je die brief wel lezen als een verslag van familieverhoudingen die de geestelijke gezondheid bedreigen – als het verslag van een geval.
Het is immers de alomtegenwoordigheid van zijn vader geweest die heeft geleid tot de mentale zelfmutilatie en het literaire vluchtgedrag van Kafka, allemaal pogingen van een machteloze intellectueel om zo min mogelijk te bestaan. De grote Hermann Kafka is een verstikkende en verlammende instantie. In al zijn enormiteit ligt hij uitgestrekt over de wereldkaart, schrijft Franz , en daardoor komen voor het leven van de zoon alleen nog die gebieden in aanmerking die niet binnen het bereik liggen van de vader. Veel armslag biedt de situatie niet. Franz blijkt ten slotte emotioneel niet in staat te trouwen, hij verliest het geloof in zijn eigen handelen en is gaandeweg opgehouden met praten; de vader heeft hem uiteindelijk op de wereldkaart niets anders overgelaten dan de literatuur. ‘Mijn schrijven ging over jou, het waren alleen maar jammerklachten die ik aan jouw borst niet uiten kon.’

Je hoort wel eens zeggen dat Kafka zijn roem voor een deel te danken heeft aan de grappige klank van zijn naam. Zo’n kwieke trochee met zulke krachtige k-klanken. Hoe kun je die ooit vergeten? Maar ook die naam blijkt al te zijn geoccupeerd door zijn vader en wordt door Kafka graag aan hem afgestaan. Zelf, schrijft hij, is hij namelijk niet echt een Kafka. Hij aardt meer naar zijn moeder, die Löwy heet, en uit een schroomvallige familie stamt. Jij, daarentegen, schrijft hij, jij bent ‘een echte Kafka wat betreft kracht, gezondheid, eetlust, stemvolume, welbespraaktheid, zelfvoldaanheid, zelfverzekerdheid, uithoudingsvermogen, tegenwoordigheid van geest, mensenkennis, een zekere gulheid, natuurlijk ook met alle bij die deugden horende zwakheden, waartoe je temperament en je driftbuien je drijven.’
Het is al met geen imposant beeld dat Franz Kafka hier van zijn eigen leven schetst. In de brief aan zijn vader ontbreekt de zwarte humor die het vluchten, wegduiken en sterven in zijn overige werk zoveel wranger en indrukwekkender maakt. Als je de brief gebruikt als aanknopingspunt om de rest van zijn werk autobiografisch te lezen, gaat dan ook veel teloor van de spot die Franz Kafka op de wereld loslaat. Op het moment dat je zijn werk stikt persoonlijk gaat zien, en niet als het commentaar van een superieure geest die de wereld tot in de diepste krochten en kieren doorziet, kan het gebeuren dat de neuroses van de schrijver op je overslaan en dat je naar adem begint te snakken. Zoveel angst, zo weinig licht en lucht!

Nu zijn er wel goede redenen om de autobiografie over de romans en verhalen heen te leggen en te kijken of het allemaal past. Je kunt gemakkelijk zinnen uit zijn proza koppelen aan beschrijvingen van zijn leven. Zijn vader is inderdaad precies die redeloze tiran, ‘de hoogste instantie’, die Franz Kafka steeds weer in zijn werk laat terugkeren. Hermann Kafka vergelijkt de vrienden van zijn zoon met ongedierte - daarin herken je de eerste zin uit De gedaanteverwisseling: ‘Toen Gregor Samsa op een morgen uit onrustige dromen ontwaakte, ontdekte hij dat hij in zijn bed in een monsterachtig ongedierte was veranderd.’ Hermann Kafka kondigt wetten af die alleen gelden voor zijn zoon en die onbegrijpelijk zijn - daarin herken je de eerste zin uit Over de kwestie van de wetten: ‘Onze wetten zijn niet algemeen bekend, zij zijn het geheim van de kleine adellijke groep die ons regeert’. Hermann Kafka uit allerlei onterechte beschuldigingen, maar zijn zoon komt niet in verzet en neemt de schuld voor de gebeurtenissen als vanzelfsprekend op zich. Daarin herken je elke rechtszaak uit het werk van Kafka – van Het proces tot In de strafkolonie – waar de beklaagde de gang van zaken simpelweg als een gegeven aanvaardt.
Al met al beschouwen psychologiserende lezers de schrijver Kafka vaak als een angstig, gekweld, zachtmoedig en briljant wezen, maar je kunt ook strenger zijn en je afvragen waarom hij zijn lot niet wat serieuzer in eigen hand heeft genomen. Zelfs als hij in een uiterste verdwijnpoging besluit dat zijn oeuvre moet worden vernietigd, laat hij die taak na zijn dood, tevergeefs, aan een ander over. Had hij zelf niet kunnen ingrijpen in zijn bestaan? De vader kan zo wel heel eenvoudig zegevieren. ‘Jij zei: “Geen woord meer!” en wilde daarmee de voor jou zo onaangename tegenkrachten in mij tot zwijgen brengen, maar die invloed was voor mij te sterk, ik was te volgzaam, ik verstomde totaal, kroop voor je weg en durfde me pas weer te verroeren wanneer ik zo ver van je verwijderd was dat je macht mij tenminste niet meer rechtstreeks bereikte. Maar jij stond in de weg, en alles werd door jou weer als “contramine” beschouwd, terwijl het alleen maar het vanzelfsprekende gevolg was van jouw kracht en mijn zwakte.’
Hoe meer je dit leest als de beschrijving van een leven, de beschrijving van een geval, des te beklemmender wordt de uitzichtloosheid van de hele situatie. Tot op een punt waarop die beklemming omslaat in ergernis over de zelfkwelling en zelfkastijding van een man met zo grote en bijzondere talenten; toe nou, jongen, doe eens wat! roep je uit. Dat is het moment waarop je zelf snakt naar buitenlucht, naar beweging, iets vitaals. Naar eten.

Honger

Terwijl zijn familie Schnitzel en Sauerbraten at, schrijft Mairowitz in zijn ‘Introducing Kafka’, voedde de zoon zich met groente, noten en fruit. ‘En alsof dat nog niet genoeg was om de woede van Hermann Kafka te wekken, ontdekte Franz ook de ideëen van de Amerikaan Horace Fletcher, die als middel tegen alle kwalen masticatie voorschreef. Elke hap moest ten minste tien keer worden gekauwd.’
De hongerigheid van Kafka’s schrijven en de kortademigheid van zijn verhalen zijn niet alleen de autobiografische weerslag van een neurose, dat zou het werk niet de pijnlijke allure geven die het heeft. Het gaat bij Kafka om een algemeen menselijk verzet tegen handelen, tegen macht uitoefenen en macht ondergaan. Wil je zijn werk lezen als een schets van de menselijke psyche, dan draait het vooral om een mentaal mechanisme dat iedereen wel in meerdere of mindere mate zal herkennen: soms kun je zo verstrikt raken in je eigen claustrofobie en in je apathische angsten dat er uiteindelijk ook inderdaad geen uitweg meer mogelijk is. En precies dat is wat de beklemming in Kafka’s verhalen zo huiveringwekkend maakt: niet de situatie zelf, maar het onvermogen van de personages om in die situatie in te grijpen.
In de brief aan zijn vader spreekt hij daarover nog in de ik-vorm. ‘Waarschijnlijk ben ik in aanleg helemaal niet lui, maar er viel voor mij niets te doen. Daar waar ik leefde, was ik verworpen, veroordeeld, verslagen, en ergens heen vluchten was voor mij weliswaar uiterst vermoeiend, maar het was geen werk, want het ging om iets onmogelijks dat voor mijn krachten op kleine uitzonderingen na onbereikbaar was.’ Voor effectief vluchten is overgave nodig, maar de overgave van liefde, huwelijk of seks, waarin een mens zou kunnen verdwijnen, is voor de schrijver te angstaanjagend en te weerzinwekkend. Dus blijft hij thuis in de veiligheid van zijn ouderlijk huis en het joodse getto: plaatsen die juist zo veilig zijn omdat hij zeker weet dat hij er voorgoed doodongelukkig zal blijven. Terwijl je dat van de buitenwereld nog maar moet afwachten.
In de rest van zijn werk spit Kafka dit psychische mechanisme genadeloos door: de machteloosheid die voortkomt uit de angst voor het uitoefenen van macht; de oplossing ligt voor je, maar je kijkt de andere kant op, de ontsnappingsmogelijkheid is daar, maar je gebruikt haar niet; de deur naar de vrijheid staat open, maar je wilt er niet doorheen. Dit mechanisme, dat mensen keer op keer tot dadenloosheid brengt, zou je kunnen uitleggen als angst voor mislukking, maar je kunt het net zo goed zien als angst voor succes. Zoals het tegenwoordig onder therapeuten en coaches zo populaire motto luidt: ‘Onze diepste angst is niet dat we ontoereikend zijn. Onze diepste angst is dat we oneindig krachtig zijn.’

In verhalen als De hongerkunstenaar en Voor de Wet maakt Kafka uitgebreid werk van het tegenstribbelende personage in zijn zelfverkozen isolement. De hongerkunstenaar die zijn publiek niet langer kan boeien met zijn weigering om te eten, de bezoeker die zijn hele leven lang tevergeefs blijft wachten tot hij toegang krijgt tot de wet – beiden zijn oneindig dwingend in hun machteloosheid. Ze zijn in de ban geraakt van de macht en maken zichzelf tot slaaf van hun eigen verzet.
De bezoeker in Voor de Wet wil toegang krijgen tot de wet, maar hij stuit meteen op een wachter die hem de toegang ontzegt. Hij mag natuurlijk wel proberen naar binnen te gaan, zegt de wachter, maar het zal niet baten, want binnen staan nog meer wachters, en die zijn nog machtiger dan hijzelf. De bezoeker besluit nu te wachten. Hij zou kunnen weggaan, en dat zou niet onverstandig zijn, of hij zou kunnen proberen toch naar binnen te gaan en te zien waar het schip strandt – maar hij besluit voor de poort te gaan zitten en te wachten. Zo blijft hij jaren op een krukje voor de poort zitten wachten op de toestemming, die nooit komt, en sterft daar uiteindelijk van ouderdom; de poort, die volgens de wachter speciaal voor hem was bestemd, en waarvan hij vreemd genoeg geen gebruik heeft gemaakt, wordt gesloten.

Het is natuurlijk uiterst onmaatschappelijk, zo’n radicale weigering van het individu om tot handelen te komen. Dat je zelf dan het ergste slachtoffer wordt van je weigering verandert daar niets aan. De maatschappij verwacht een zekere gematigdheid van het individu, een Aristotelisch gulden midden - geen extreme uitputting, uithongering, zelftucht of zelfopoffering.
Het is interessant in dit verband te lezen wat Norbert Elias schrijft in Über den Prozess der Zivilisation, waar hij de geschiedenis van de etiquette opvat als een proces van affectbeheersing. Elias is vooral geinteresseerd in de beschaving van het individu; hij zoomt in op de ontwikkeling van de tafelmanieren, en schetst in dat verband een beschavingsstreven dat nog het best kan worden samengevat in een opvoedkundig advies van Erasmus: ‘Het is beter een poosje te wachten, opdat een kind leert zijn lust te beheersen.’ Hier herkennen we meteen de masticatie, het tien keer kauwen van Horace Fletcher. Langzaam eten, beheerst, met fatsoen, en vooral ook niet te veel. Op die manier stuurt de beschaving er in het algemeen op aan onze primitieve driften bij het eten zo goed mogelijk te maskeren, en daarom wordt bijvoorbeeld ook het gebruik van messen in de loop der tijd steeds verder teruggedrongen, omdat een mes duidt op agressie, zodat het uiteindelijk zelfs regel wordt een sinaasappel te pellen met een lepel.
Toch, en hier herkennen we de spanning in het werk van Kafka, citeert Elias tegelijk een tekst uit 1672 van Antoine de Courtin, waaruit blijkt dat er grenzen zijn gesteld aan dit proces van affectbeheersing. Het gaat om het geval waarin iemand zijn mond of tong heeft gebrand:

‘Wie zich per ongeluk gebrand heeft, moet het lijdzaam verdragen als dat kan, en zonder het te laten merken: maar als de pijn niet te harden is, hetgeen wel eens voorkomt, moet men meteen en nog voordat de anderen het in de gaten krijgen, zijn bord met de ene hand naar de mond brengen, en wat zich daarin bevindt achter de andere hand terugdoen op het bord, en dit vervolgens achterlangs behendig aan een bediende geven. De beschaving verlangt wel beleefdheid van ons, maar geen zelfmoord.’

Deze laatste zin formuleert de regel waarmee Kafka breekt. ‘De beschaving verlangt wel beleefdheid van ons, maar geen zelfmoord.’ Omdat volgens de meeste denkers de deugd niet in de extremen ligt, verlangt de beschaving van ons wel dat we onze driften beheersen, maar niet dat we onszelf uithongeren - beleefdheid en matigheid, geen volstrekte afzijdigheid. Kafka lapt deze regel totaal aan zijn laars. Zijn personages voeren de affectbeheersing door tot in de verste extremen, branden hun mond zonder te protesteren of in te grijpen, verdragen dingen die niet te verdragen zijn, en koppelen zich daarmee voorgoed los van de rest van de samenleving.
Naar aanleiding van Kafka’s verhaal ‘De hongerkunstenaar’ is rond dit thema een legendarische discussie gevoerd in de Harvard Law Review; een discussie over affectbeheersing in de radicale en extreme vorm. In een artikel over autoriteit en autonomie wees de juriste Robin West erop dat de hongerkunstenaar, stervend in zijn kooi, nu niet bepaald zijn autonomie vergroot als hij zijn hongerkunsten opvoert voor het publiek. Hij zegt wel uit vrije wil van eten af te zien, en stelt zijn gedrag graag voor als een zeldzame vorm van artistieke expressie, maar in feite is hij gewoon ziek, ellendig, en gaat hij dood. Het vasten is begonnen als een viering van de individuele autonomie, een feest van zelfbeschikking, maar het is al snel volkomen uit de hand gelopen. West schrijft: ‘Net als de moderne anorexia-patient beschouwt de hongerkunstenaar iedere beslissing om niet te eten als een volmaakt vrijwillige daad van self-empowerment. Maar ook net als de anorexia-patient oefent de hongerkunstenaar een macht uit die, noodzakelijkerwijs, wordt gevolgd door de onmogelijkheid om zichzelf te bevrijden van de dodelijke consequentie van die lege vrijheid.’
De econoom Posner brengt hier vervolgens tegenin dat de hongerkunstenaar van Kafka een psychiatrisch geval is; en aangezien beslissingen van psychiatrisch patiënten nu eenmaal nooit rationeel en vrijwillig zijn, kun je ze dan ook niet gebruiken om een uitspraak te doen over autonoom handelen in het algemeen.
De onenigheid tussen Robin West als Richard Posner brengt interessante dingen aan het licht over menselijke motivatie, maar hoe waardevol hun discussie ook mag zijn, door de hongerkunstenaar te beschouwen als een geval, missen beiden een belangrijk punt. Als hij de hongerkunstenaar afdoet als psychiatrisch patient ziet Posner over het hoofd dat de weigering om te eten de kern raakt van Kafka’s psychologie: de dadenloosheid en onthouding van het individu als ultiem verzet tegen een ongedefinieerde macht. En als Robin West vindt dat zo’n hongerkunstenaar zijn autonomie een slechte dienst bewijst, mist ze de universele betekenis van Kafka’s allegorie – dat geen mens autonoom is. Want wie autonoom is, oefent macht uit over zichzelf, en ook tegen die vorm van machtsoefening verzet Kafka’s personage zich met succes.


Apparaat

De grote aantrekkingskracht van Kafka’s werk ligt in de mogelijkheid het op duizenden manieren uit te leggen, toe te passen, te citeren, te gebruiken en toe te eigenen. Zijn proza is een diep vat. Er zitten meer betekenissen in dan je ooit kunt bedenken – en iedere betekenis die je bedenkt kun je er gemakkelijk in kwijt.
Zo wordt iedere interpretatie die je kiest onmiddellijk verdacht, maar dat Kafka iets heeft willen zeggen over de macht staat toch wel buiten kijf. En dan beperkt zijn bemoeienis met de macht zich uiteindelijk niet tot de psychologie van het machteloze personage: met zijn beschrijving van de maatschappelijke verhouding tussen macht en recht snijdt Kafka nog veel dieper en legt hij een gruwelijke waarheid bloot. Als je ademnood krijgt van Kafka’s werk, dan hoeft dat niet alleen te komen door de ellendige situatie waarin zijn personages zich manoevreren, het kan ook komen door het plotselinge besef dat er minder recht valt te halen in de wereld dan je denkt.

In het algemeen, in een betere wereld, zou je het recht kunnen zien als een bescherming tegen de macht. Ben je bang voor de redeloze tiran, de hoogste instantie, dan kun je je heil zoeken bij duidelijke en vastomlijnde rechtsbegrippen; het recht verdedigt het individu tegen de willekeur van de autoriteiten.
Zo zou je het inderdaad kunnen zien, als Franz Kafka niet had uitgelegd dat macht en recht juist altijd samen optrekken – niet tegenover elkaar staan maar samenwerken. Als je Kafka’s ijzingwekkende verhalen over het rechtssyteem leest, zijn gedetailleerde beschrijvingen van proces en procedure, dan begrijp je opeens dat je niet voor de macht kunt schuilen bij het recht. De twee horen samen en er is geen ontsnappen aan: het recht oefent macht uit en de macht beheerst het recht. Als je op zoek bent naar de wetten, laat Kafka keer op keer zien, moet je je terdege afvragen wie die wetten beheren en wie er zeggenschap over hebben en wie niet. De tiran ligt nu eenmaal in al zijn angstaanjagendheid uitgestrekt over de landkaart van het recht.
Kafka weet trouwens wel waar hij het over heeft. Als medewerker van de Arbeiter Unfall Versicherungs-Anstalt für das Königreich Böhmen heeft hij een volwassen verantwoordelijkheid. In zijn dagelijkse praktijk neemt hij als jurist arbeiders in bescherming; hij zorgt voor een redelijke afhandeling van schade en ongevallen, en hij beijvert zich in het algemeen voor fatsoenlijke regelingen. Maar in zijn literaire werk vind je zo’n betrokken ambtenaar als hij zelf is geweest niet gauw terug; de administratieve instellingen blijken in zijn verhalen volstrekt onpersoonlijke machtssystemen te zijn die geen enkele consideratie hebben met het individu. De ambtenaren, bureaucratische wachters, ontzeggen alle bezoekers die zich aan de poort melden met ijzige onverschilligheid de toegang tot hun recht.
Natuurlijk, de staatsinstellingen en rechtssystemen worden wel bevolkt door echte mensen, maar veel menselijks valt er niet aan te ontdekken. Zodra mensen de macht in handen krijgen en die macht ook gaan uitoefenen, verliezen ze hun persoonlijkheid: ze worden onderdeel van het apparaat. In het verhaal ‘Het apparaat’zie je dan ook dat het recht zelf, letterlijk, verwordt tot een staatsapparaat dat naar willekeur en zonder verdere argumentatie straffen uitdeelt en uitvoert. Zelfs de veroordeelde verliest ten slotte zijn menselijkheid en gaat op in het apparaat; de wet wordt met naalden in zijn lichaam geëtst.
Kortom, wie probeert tegenover de macht zijn recht te halen, met een beroep op redelijkeid en argumenten, maakt zijn zaak alleen maar erger. En zo komt het dat er uiteindelijk maar één houding mogelijk is tegenover de gevaarlijke congsi van macht en recht: lijdzaamheid. Veronderstellen dat je schuldig bent. Aannemen dat je alle ellende aan jezelf hebt te danken en je gewillig neerleggen bij de gruwelijke gevolgen. Alleen door de schuld, de gehele schuld, ruiterlijk te aanvaarden kun je het lot voor jezelf nog een beetje begrijpelijk maken.

Als je overeind wilt blijven in dit leven moet je jezelf dus maar gewoon gewonnen geven. Dat is een nare conclusie, maar je kunt er net als Kafka ook de grap van inzien. Het blijft een akelig idee, een hakmes dat met mechanische regelmaat op je inhakt en scheermesdunne plakjes van je afsnijdt, maar het heeft zoals gezegd toch ook zijn grappige aspecten. Zo kun je beschuldigd worden, vervolgd, gevangen gezet en gemarteld, maar zodra je besloten hebt daar niets tegenin te brengen, ben je in de gelegenheid erom te lachen. In ‘De waarheid over Sancho Panza’ is het Don Quixote die zich teweer stelt; Sancho Panza niet. Sancho Panza bevrijdt zich van zijn demon Don Quixote, maar volgt hem vervolgens op zijn tochten – ‘misschien uit een soort verantwoordelijkheidsgevoel’ – en dat verschaft hem een goot en nuttig vermaak.

Hoe erger hoe vermakelijker. Dat lijkt eigenlijk nog wel het voornaamste devies van Kafka. En hetzelfde denkt de lezer die zichzelf en de wereld tot zijn grote genoegen herkent in deze verschrikkelijke verhalen.





M. Februari



© 2011-2017 Maxim Februari