Roddelen over de burger


Vrij Nederland, nr 50/51, 13 december 2008 – 7 januari 2009
(om de tekst af te drukken: zie print-optie onderaan de pagina)


De Canadees Christian Lander heeft een razend populaire weblog over de hartstochten van de weldenkende witte westerling: Stuff White People Like. Hierop heeft hij een lange lijst aangelegd van dingen die witte mensen leuk en lekker vinden, met koffie op de eerste plaats, en op de tweede plaats religies waartoe je ouders niet behoren. Klinken die eerste twee passies nog tamelijk concreet en zakelijk, wie de lijst verder doorloopt, komt al gauw veel ongrijpbaarder voorkeuren van witte mensen tegen: diversiteit, non-profit organisaties, yoga, het verlenen van assistentie, milieubewustzijn, en bewustzijn in het algemeen.
Sommige bezoekers van de blog reageren verontwaardigd op de lijst, omdat ze die zien als een bevestiging van vooroordelen en rassenonderscheiden. Niet iedereen is vatbaar voor de satirische aanpak van Lander, en voor zijn poging de cultuur van de blanke meerderheid in de Verenigde Staten, die meestal als de norm wordt beschouwd, nu eens te beschrijven als een raadselachtige subcultuur.
Kritiek is er ook van mensen die zich niet herkennen in de hoogopgeleide, welvarende kringen die door Lander worden beschreven: niet elke Texaan ziet zichzelf terug in de grootsteedse mens met zijn passie voor sushi en meertalige kinderen. Lander schrijft op zijn blog: ‘Het gaat hier gedeeltelijk over ras, maar het gaat op een dieper niveau over klasse. Over een generatie en klasse die veel meer waarde hecht aan authenticiteit en geloofwaardigheid dan aan materiële welvaart.’
Hoe leuk het allemaal mag klinken, de voorliefde voor diversiteit en bewustzijn, vrede en in de mensheid een welbehagen, pijnlijk is de beschrijving toch ook voor wie zich herkent in de probleemloze klasse. Net zo pijnlijk als al die aanhoudende oproepen tot vertrouwen en tolerantie, waardoor ook in Nederland het openbaar debat verdacht veel is gaan lijken op een lijst van ‘Stuff White People Like’. Of het debat nu gaat over de kredietcrisis of het integratieproces, over mondiale verhoudingen of bestuurlijke kwaliteit, de boodschap is altijd dezelfde: angst is slecht, verandering (‘change’) is goed en het vertrouwen is zoek, maar moet zo snel mogelijk weer worden teruggevonden.
Zo is in de laatste jaren iedere conversatie of discussie over risico, gevaar en angst onveranderlijk geëindigd in de unanieme conclusie dat we moeten stoppen met klagen en zeuren. Ieder krantenartikel, ieder overheidsrapport, iedere academische publicatie is kritisch over de gevoelens van de bevolking; de mensen zijn bang en zouden dat niet moeten zijn. Het is de basisassumptie van het hedendaags debat: mensen hebben emoties die ze niet zouden moeten hebben.
Wat opvalt aan de oproep tot vertrouwen en bewustzijn is dat die louter vraagt om een verandering in geestesgesteldheid van de burgers, niet om actie. Wat wordt uitgedragen is een levensstijl, geen politiek programma. Er hoeft niets te veranderen in de manier waarop ondernemingen of publieke instellingen functioneren, er hoeft niets te veranderen in het gedrag van werknemers en werkgevers – alleen de burger krijgt een nieuwe taak. Die moet zich anders gaan voelen, moet vertrouwen krijgen in de politiek, in de economie, in de samenleving en de medeburgers. Alsof je angst en wantrouwen kunt uitbannen door ze te verbieden, of door simpelweg vol te houden dat liefde en vriendschap beter zijn.
Hoewel een pleidooi voor betrouwbaarheid zakelijker en effectiever lijkt, worden maatschappelijke problemen op het moment dus overwegend vanuit sociaalpsychologisch perspectief bekeken. Als het Ministerie van Justitie een aantal scenario’s schetst om zich te kunnen voorbereiden op de toekomst, kijken de scenariobouwers allereerst naar de kernonzekerheden van de burgers. In de verkenning ‘Justitie over morgen, scenario’s en strategieën voor 2015’ zien ze vier mogelijke ontwikkelingen voor de komende jaren. De scenario’s heten ‘Bang Nederland’ of ‘Samen.nl’, al naar gelang de burgers zich wel of niet door angst zullen laten leiden; de meer op Europa gerichte varianten heten ‘Forza Europa’ en ‘the European Way’.
Het Ministerie van Justitie laat zich niet uit over een voorkeur voor een van deze vier scenario’s, maar in het algemeen hebben bestuur en politiek weinig geduld met de kernonzekerheden van de burgers. Is de diagnose van angst eenmaal gesteld, dan worden de burgers hartstochtelijk aangemoedigd beter te worden, uit bed te komen, hun ramen en deuren te openen naar de Europese Unie, kosmopolieten te worden, financieel voor zichzelf te zorgen, te stoppen zo verwend te zijn, hun noodlot moedig te aanvaarden en te omarmen.
Het meest karikaturale voorbeeld van deze psychologisering is wel de procedure waarmee werd geprobeerd de Europese Grondwet aanvaard te krijgen. Voor de legitimatie van zo’n Grondwet was de steun van de Europese bevolking nodig – en dus werd die van bovenaf opgeroepen tot vertrouwen. Iedere zakelijke vraag naar de betrouwbaarheid van het stelsel van de wet, of iedere poging tot sleutelen daaraan, werd door de autoriteiten gezien als een poging het vertrouwen te ondermijnen. Het hoefde niet te verbazen dat juist dat vertrouwen als eerste verdween. Wie wind zaait, zal storm oogsten.

Aan de sociaalpsychologisering van het openbaar debat kleven verschillende bezwaren. Het eerste bezwaar is dat het al gauw uitmondt in het zojuist geschetste roddelen over de burger: alle problemen worden teruggevoerd op een verkeerde geestesgesteldheid van de bevolking. Maar daaruit vloeit ook meteen een veel fundamenteler bezwaar voort: de willekeur waarmee die geestesgesteldheid van de bevolking wordt vastgesteld en gediagnosticeerd. Wie een pakkende analyse zoekt, krijgt al gauw de neiging de hele wereld en alle motieven van het menselijk gedrag in één term samen te vatten; het ene steekwoord is dan al even goed als het andere.
Sinds ik het boek ‘The culture of fear’ van Frank Furedi las, begon ik te letten op boeken die de mondiale cultuur in zo’n enkel begrip samenvatten. In een Oostenrijkse boekhandel zag ik ‘Weltrisikogesellschaft’ van Ulrich Beck op de plank staan naast ‘Die Neidgesellschaft’ van Klaus Bolzano. Wat betekende dat? Is het inderdaad mogelijk dat we leven in een Furediaanse angstsamenleving die tegelijkertijd een Beckiaanse risicosamenleving is én een Bolzanese jaloeziesamenleving? Toen ik nog wat oplettender ging rondkijken in boekhandels zag ik dat we bovendien leven in een samenleving van hebzucht, een samenleving van lust, een samenleving van trots, een samenleving van dodelijke verdomming, om maar niet te spreken van de McDonaldization en de Disneyization van de samenleving. Iedere doodzonde die je uitkiest, blijkt tegenwoordig het steekwoord te zijn van een sociologische analyse van onze hedendaagse maatschappij.
Dat bracht me tot de vraag: moeten we niet gewoon een zo’n doodzonde uitkiezen, en ons daaraan houden? Of kunnen we, als burgers van een moderne samenleving, tegelijk bang én narcistisch én trots én hongerig zijn, en dat alles obsessief en ook nog eens op hetzelfde moment? Ik denk het eigenlijk niet. Het lijkt er meer op dat dergelijke analyses de aansluiting op onze leefwereld beginnen te verliezen. De socioloog bedenkt een briljant concept, dat zich vervolgens verzelfstandigt en zich ontwikkelt tot een modisch idee waaraan lezers graag lippendienst bewijzen, zonder dat er ooit iets zal veranderen in de echte wereld.
De sociologische aanpak houdt daardoor in vergelijking met een juridische of bestuurlijke aanpak altijd iets hypochondrisch. Het ellenlange babbelen over vage onderwerpen als ‘identiteit’, ‘burgerschap’, ‘angst’, ‘narcisme’, ‘multiculturalisme’ lijkt steeds vaker een rookgordijn te worden – een manier om het niet te hoeven hebben over concrete zaken die werkelijk onze aandacht verdienen. We praten liever maandenlang over een prinses die iets ondefinieerbaars zegt over een sociologisch begrip als identiteit, dan over de schimmige besluitvorming rond de aanschaf van de JSF, waarmee onbegrijpelijk veel belastinggeld is gemoeid.
Als we de sociaalpsychologie laten voor wat die is, kunnen we de aandacht verschuiven van ‘Stuff White People Like’ naar concreet gedrag, van het ongedeelde collectief naar het verantwoordelijke individu. Willen we niet geobsedeerd raakt door angsten en crises, dan lijkt het verstandig oplossingsgerichter te worden, en dat vraagt om een zakelijke inschatting van maatschappelijke problemen.

Fareed Zakaria, in zijn boek ‘The Future of Freedom’, zoekt die verzakeling vooral in het terugdringen van de democratisering. Doordat de aandacht steeds sterker uitgaat naar de emoties van de bevolking is de democratie in de loop van de twintigste eeuw van een staatsvorm uitgegroeid tot een levensstijl. Alles is gedemocratiseerd, iedere gedachte en iedere prestatie wordt beoordeeld op populariteit, niet alleen in de politiek en de kunst, maar ook op het gebied van wetgeving, journalistiek en levensbeschouwing. Je zou misschien verwachten dat al dat directe kiezen zorgt voor een innige band tussen kiezers en gekozenen – dat is althans de vrolijke fabel van de democratie – maar paradoxaal genoeg leidt democratisering juist tot het verdwijnen van respect voor de vertegenwoordigers. Want hoe meer burgers afgaan op onzinnige informatie in de pers, hoe vluchtiger en onduidelijker hun verlangens worden, en hoe draaieriger de politici daar weer op reageren. ‘What we need in politics today is not more democracy — but less.’
Zakaria wijst er in dit verband op dat we niet ons moeten blindstaren op de Griekse erfenis van de democratie; de Romeinen hebben ons een minstens zo belangrijke erfenis nagelaten in de vrijheden en rechten die het individu moeten beschermen tegen de macht van het collectief; al was je onder Romeinse heerschappij ook nog steeds niet zeker van die rechten, zolang de heersers zelf veilig buiten de greep van de wet bleven. Pas door de opkomst van de Katholieke Kerk ontstond een tegenkracht tegenover de staat, en de groei van tegenkrachten zorgde er uiteindelijk voor dat de macht van de staat zelf ook aan regels werd gebonden.
Zulke tegenkrachten hebben we nu opnieuw dringend nodig. Instituties die tegenwicht bieden aan de staatsmacht en tegelijk een buffer vormen tegen de heerschappij van de meerderheid. Het Amerikaanse Supreme Court is volgens Zakaria een goed voorbeeld van zo’n tegenkracht: het hof is een niet-gekozen organisatie die niet direct onder politieke druk staat en dus autonoom kan opereren. Dergelijke instituties kunnen de democratie vitaal houden en voorkomen dat die afglijdt naar griezelig populisme. Anders gezegd, je kunt het schrikbeeld van het populisme aanpakken door van de burger te eisen dat hij stopt met zeuren, maar je kunt ook zorgen dat de rechtstaat zichzelf beter reguleert, dat instituties autonomer worden en dat de democratie wordt versterkt van binnenuit. Dat vraagt niet om vertrouwen, maar om betrouwbaarheid.

Ook in Nederland is dit geen overbodige oproep. Amsterdamse rechters die stukken buiten hun strafdossiers houden, cruciale fouten van het Openbaar Ministerie bij de strafvervolging, het negeren en zelfs bedreigen van ambtelijke klokkenluiders door vertegenwoordigers van de overheid, de bereidheid van wetenschappers om alles te bewijzen wat je maar voor geld bewezen wilt zien, de aarzeling van de pers om lastige onderwerpen aan te kaarten: het doet allemaal afbreuk aan de betrouwbaarheid van belangrijke instituties. Dat je zo niet alleen te maken krijgt met clubs en organisaties die onbetrouwbaar zijn, maar dat vervolgens ook nog eens de bescherming tegen die onbetrouwbaarheid faalt, maakt het probleem des te groter.
En het vertrouwen? Dat neemt af. Alleen niet op de infantiele manier waarop dat verschijnsel meestal wordt beschreven; het zijn namelijk niet zozeer de burgers die het vertrouwen in de instituties verliezen, als wel de werknemers van die instituties zelf. In het afgelopen jaar reisde ik door Nederland om in boekhandels en bibliotheken te spreken over alles wat zich aandiende, en ik keek op van de bezorgdheid waarmee mensen spraken over ontwikkelingen binnen de eigen beroepspraktijk. Dit was niet de onderbuik van Nederland, maar de lezende elite: de werknemers van de publieke sector, de professionals, de hogere ambtenaren, de leraren en hoogleraren – allemaal verenigd in het gevoel nergens meer een veilig hotel te kunnen vinden. Politieambtenaren uitten hun zorgen over de bedrijfscultuur bij politie, artsen spraken wanhopig over de efficiencycultuur van de ziekenhuizen. Er is, luidde de gedeelde conclusie, sprake van een ‘drift into failure’, een duidelijke verschuiving van marges van betrouwbaarheid, een merkbare tendens naar zorgeloosheid - en dat is grotendeels te wijten aan het feit dat organisaties een afweging moeten maken tussen het eigenbelang en de maatschappelijke verantwoordelijkheid. Het eigenbelang wint vrijwel altijd.
Dit zijn geen ‘angsten’, dit zijn geen onzekerheden die zijn losgewoeld door de globalisering, dit zijn geen fladderende emoties die je tot rust kunt brengen met een oproep tot kosmopolitisme en tolerantie. Dit zijn serieuze berichten over het afbladderen van belangrijke instellingen die de samenleving dienen en beschermen. Juist het akelige lot van een klokkenluider als Fred Spijkers is daarom ook bij veel mensen hard aangekomen: je moet wel beschikken over grote moed en vaste principes om je stem nog te durven verheffen over de onbetrouwbaarheid van de overheid. Want wie zal je beschermen?
Amsterdamse rechtenstudenten onderzochten dit jaar de zaak Spijkers onder leiding van hun universitair docent beroepsethiek, en ze schreven erover in het tijdschrift Openbaar Bestuur van maart 2008. Hun conclusie was grimmig: nadat Fred Spijkers had geweigerd te liegen over een dodelijk ongeval bij Defensie, werd zijn leven ‘verwoest door toedoen van politieke, bestuurlijke, rechterlijke en ambtelijke gezagsdragers namens de Nederlandse staat’. Als je het artikel leest, word je er niet geruster op: dit ging niet om een willekeurig incident, maar om een structureel gebrek aan rechtsbescherming. Een gebrek aan gerechtigheid.

Yoga, diversiteit, openheid, tolerantie en sushi: het zijn de dingen die we als consument en burger leuk vinden, of leuk moeten vinden, en ze domineren het openbaar debat. Nu democratie een levensstijl is geworden, zijn burgers het gesprek van de dag. Die burgers hebben vanuit het democratische perspectief geen belangrijker rol dan dat ze moeten stemmen op politieke partijen; studiopubliek met stemkastjes, kiezers-met-extra’s.
Maar verleg je je aandacht van een kiezersdemocratie naar een democratische rechtsstaat, waar burgers niet alleen mogen stemmen maar ook vrijheden hebben en rechten, dan moet je je daarnaast ook gaan bezighouden met onafhankelijke instituties en dus met de mensen die de instituties belichamen. Dat zijn weliswaar dezelfde mensen als de burgers waar we het de rest van het jaar over hebben, maar in een andere rol: ze zijn nu geen klant van de overheid, maar ze geven die overheid vorm. En dus moet je ze in deze rol ook niet oproepen tot tevredenheid en fatsoen, maar tot het plichtsgetrouw vervullen van hun taken.
Laat ik de plechtige woorden aanhalen van de nieuwe generatie juristen die wordt opgeleid aan de Universiteit van Amsterdam. In hun artikel in Openbaar Bestuur sommen ze de eisen op waaraan mensen moeten voldoen die vrijwillig aanvaarde functies bekleden: allereerst eisen van redelijkheid en rechtvaardigheid, maar daarnaast ook ‘de onvoorwaardelijke natuurlijke plichten die daaruit voortvloeien: positieve plichten om rechtvaardigheid te dienen en te bestendigen, een wederkerige plicht om hulp te bieden en respect te tonen en negatieve plichten om onschuldigen niet in hun persoon te schaden en ook overigens geen schade te berokkenen. Men mag geen onrecht begaan, ongeacht verplichtingen uit hoofde van een functie.’
Dan is het jammer dat moraal nu juist een van die dingen is die de weldenkende westerling niet leuk vindt. Stuff White People Don’t Like. Want met dit beroep op ‘natuurlijke plichten’ doet de moraal zijn intrede in het verhaal over de betrouwbaarheid van de rechtsstaat. Zulke natuurlijke plichten zijn namelijk niet per wet aan de functionarissen opgelegd, het zijn morele verplichtingen die ieder mens van nature heeft, en dat maakt ze in het huidige tijdsgewricht een stuk slechter te verkopen. Iedereen zal zich nog herinneren welke golf van hoon over Nederland spoelde toen premier Balkenende zijn normen- en waardendebat aankondigde. Zoals laatst een econoom in de Volkskrant opmerkte bij haar oproep tot morele herbezinning: ‘Ik doe dat met de grootst mogelijke huiver, omdat het domein is geclaimd door de conservatieven.’
Maar als je instituties wilt die de samenleving behoeden tegen de druk van politiek en populisme, dan kom je niet om de moraal heen. Want hoe zorg je ervoor dat de tegenkrachten in de staat betrouwbaar blijven? Wel, inderdaad, door de werknemers van die instituties te wijzen op hun natuurlijke plichten. Door niet alleen waardencatalogi op te stellen voor de burgers, maar allereerst te praten met de hoeders van de rechtsstaat zelf. De mensen die werken bij juridische organisaties, bij de belastingdienst, bij inspectiediensten, in het leger, bij financiële toezichtorganisaties, in de advocatuur: zij moeten beseffen dat de betrouwbaarheid van hun werk de enige garantie is voor het functioneren van de rechtsstaat.
Nu is niet iedereen zomaar te porren voor het vervullen van natuurlijke plichten. Sinds het uitbreken van de kredietcrisis weten we wel dat banken omvallen, en de rest van de wereld ook, als je niet op tijd aandacht besteedt aan je morele verplichtingen – maar dat wil nog niet zeggen dat iedereen altijd zin heeft in moraal. Zo zijn er mensen die denken dat ze door hun drukke werkzaamheden simpelweg geen tijd hebben voor dingen als rechtvaardigheid en betrouwbaarheid; een ondernemer vertelde onlangs tijdens een lezing over milieubewustzijn dat hij op weg naar het congresgebouw even niet aan moraal had gedaan. Hij had, zei hij, haast en dus had hij ondanks zijn eigen vaste milieuprincipes te hard gereden en de moraal opzij geschoven. Maar dit is, met permissie, onzin. Zo werkt het niet: je kunt de moraal niet opzij schuiven als je geen tijd of geen zin hebt, je kunt niet zelf kiezen of je deelneemt aan de morele orde. Zelfs als je geen tijd voor een moreel oordeel hebt, hebben anderen dat wel, en als je maar lang genoeg je natuurlijke plichten negeert, staat op een kwade dag een groep strenge, Amsterdamse rechtenstudenten op je stoep.

Het klinkt misschien raar dat ik een oproep om het leven zakelijker te benaderen, laat uitdraaien op een pleidooi voor de natuurlijke plichten. Toch is dat niet raar. Aandacht vragen voor feitelijk gedrag is een stuk zakelijker dan aandacht vragen voor de emoties van burgers. En functionarissen wijzen op hun verantwoordelijkheid voor de rechtsstaat is praktischer dan blijven hangen in bewondering voor de Griekse democratie. Het had misschien nog praktischer geleken als ik die plichten had willen vastleggen in de wet, als ik zou voorstellen nieuwe regels te stellen voor de instituties en daarop toe te zien. Maar regels maken en handhaven is niet altijd verstandig: voor je het weet ben je in een reductio ad infinitum beland, een oneindige rij van instituties die toezien op instituties die toezien op instituties. Zo’n oneindige reductie is niet alleen onzinnig, maar zelfs gevaarlijk, omdat je niets opschiet met regels als je niet de garantie hebt dat die regels op zijn minst ergens in het staatsbestel ook echt serieus worden genomen.
Het serieus nemen van regels dwing je niet af met nog meer regels. Er zit dan ook niets anders op dan een appel te doen op de natuurlijke verplichtingen van mensen. Daartoe moet de moraal snel van haar zemelige reputatie af. Moraal is geen set van waarden en normen die alle plezier verbiedt – die karikatuur hebben ideologen van links en rechts er gezamenlijk van gemaakt – maar een uiterst kloeke manier om ons te beschermen tegen staatsmacht en populisme.
tekst © 1989-2017 Maxim Februari
Powered by Travel-n-Traffic
X
X