Geloof in de wetenschap


De paus overleed precies op het moment dat ik naar de film ‘Hanging up’ zat te kijken. Meteen werd de film onderbroken. Begrijpelijk, maar nu keek ik dus al voor de vierde keer naar die film zonder het einde te halen. Het einde, wist ik bij toeval, bestaat eruit dat Diane Keaton in de keuken Meg Ryan bekogelt met bakmeel – en ik wilde wel eens weten waarom.
Er zijn meer films waarin ik inmiddels een halve werkweek heb geïnvesteerd zonder ooit achter de toedracht te komen. Het ergste van alles is wel een oude film met Walter Matthau, waarin hij als klaploper trouwt met een rijke biologe om haar daarna te vermoorden. Die film heb ik via de televisie al zeven keer half gezien. Al zeven keer gehoord hoe Matthau de biologe indringend het hof maakt: ‘We hebben zoveel gemeen. Het enige verschil tussen ons is dat ik een man ben en u een vrouw, maar als we enigszins oppassen hoeft die omstandigheid ons niet in de weg te zitten. - We don´t have to let that interfere if we are reasonably careful.’

Eigenlijk is het een heel vreemde tegenstelling, de tegenstelling tussen informatie en amusement die tegenwoordig zo wordt aangescherpt in het omroepdebat. Alleen al in pure amusementsfilms zit onbegrijpelijk veel informatie: psychologische informatie, theatrale informatie, verbale informatie. Amusementsfilms bieden volgens mij zelfs betrouwbaarder informatie over menselijk gedrag dan alle praatprogramma’s en actualiteitenrubrieken tezamen. Over speelfilms is nu eenmaal langer nagedacht en met meer slimme mensen tegelijk.
Maar goed, hoe betrouwbaar die filminformatie dan ook mag zijn, ik laat me dus steevast halverwege de film storen. En loop daardoor rond met allerlei verhaallijnen zonder afloop en quotes zonder context. Zo zag ik ooit in het voorbijgaan drie minuten van een Duitse film waarin iemand losjes opmerkte: ‘Ich bin tot und trinke Tee.’ Geen flauw idee wat dat betekende, maar sindsdien wacht ik op een gelegenheid om de zin achteloos te citeren. Een gelegenheid die zich nog steeds niet heeft voorgedaan.
Het diepe ontzag voor serieuze informatie dat naar voren komt uit het omroepdebat is hoe dan ook vreemd. Juist de betrouwbaarheid van serieuze informatie vertoont immers steeds grotere scheuren. Bijna niemand gelooft meer in de puurheid van journalistieke berichten en bijna niemand gelooft meer in de onbevangenheid van wetenschappelijke kennis. Een paar jaar geleden schreven Benny Haerlin and Doug Parr in het tijdschrift ‘Nature’ dat de geloofwaardigheid van de wetenschappelijke gemeenschap er nog nooit zo beroerd aan toe is geweest. Volgens een enquête gelooft slechts zes procent van de Europese burgers dat wetenschappers de waarheid vertellen over onderzoek naar genetisch gemodificeerde producten.

In hun artikel, ‘How to restore public trust in science’, schreven Haerlin en Parr dit wantrouwen toe aan de commercialisering van wetenschappelijk onderzoek. Het bedrijfsleven heeft de wetenschap in zijn greep gekregen, en dat valt niet alleen de wetenschappers te verwijten, schreven ze, het ligt ook aan regeringen die de wetenschap vrijelijk overlaten aan de markt. ‘Wetenschappers worden daarom niet langer gezien als bewakers van de objectieve waarheid, maar ook als slimme behartigers van hun eigenbelang, op een marktplaats die wordt geregeerd door de media.’
Je zou hier aan kunnen toevoegen dat niet alleen het bedrijfsleven maar ook de regeringen zelf als opdrachtgever aansporen tot onbetrouwbaarheid van serieuze informatie. Deze week zetten drie professoren vraagtekens bij het onderzoek naar de omstreden inburgeringtoets. Dit onderzoek zou uitwijzen dat de taaltoets een prima middel is om het taalniveau van immigranten te meten. Probleem is, schreven de professoren, dat alle direct betrokken deskundigen belang hebben bij die toets. De minister kan wel trots naar het oordeel van onafhankelijke onderzoekers verwijzen, maar de onafhankelijke onderzoekers hebben alle reden precies dat te bewijzen wat de minister bewezen wil zien.
Nu zou het flauw zijn alleen het bedrijfsleven en de politiek een verwijt te maken als ook de burgers zelf aandringen op onbetrouwbaarheid van wetenschappelijk onderzoek. De strijd rond leven en dood van de Amerikaanse Terry Schiavo, bijvoorbeeld, was niet alleen een strijd tussen familieleden met tegenovergestelde standpunten over euthanasie. Beide kampen hadden ook nog eens een serieuze wetenschapper gevonden die ze op puur objectieve gronden gelijk gaf.
Nee, Terry Schiavo heeft niet langer een vorm van bewustzijn, zei de ene serieuze wetenschapper. Ja, Terry Schiavo heeft een lage vorm van bewustzijn, zei de andere serieuze wetenschapper. De ruzie laaide hoog op, maar niemand die zich druk maakte over het allermerkwaardigste verschijnsel in deze zaak: dat wát je ook beweert, je altijd wel een onafhankelijk onderzoeker bereid vindt te bewijzen dat je gelijk hebt.

Ach, de naïveteit en wereldvreemdheid van wetenschappers in oude films. ‘Vertel eens iets over uzelf, Miss Lowell, over uw werk, uw hoop, uw dromen’, vraagt Walter Matthau zichtbaar verveeld aan de biologe met de kloosterachtige kleren en de ouwelijke bril, die hij van plan is te huwen. En dan antwoordt Miss Lowell: ‘Nou, ik werk als leraar en ik doe ook veldwerk en ik schrijf monografieën. Het is mijn hoop nog eens een nieuwe variëteit van de varen te ontdekken, die tot nu toe nog nooit is beschreven of geclassificeerd. Ik weet niet wat mijn droom is. Denkt u dat die dezelfde zou kunnen zijn als mijn hoop? Nou, hoe dan ook, dat zijn mijn werk en mijn hoop, behalve mijn droom, waar ik dus niet zeker van ben.’
Dat is nog eens een wetenschapper, deze Miss Lowell, en ik mag hopen dat Matthau haar aan het eind van de film niet vermoordt. Maar zeker weten doe ik dat niet, want zoals gezegd heb ik het eind nooit gezien. Er komt altijd iets ernstigers tussen.

Column de Volkskrant 9 april 2005
tekst © 1989-2018 Maxim Februari
Powered by Travel-n-Traffic
X
X