Lucia de B.: recht en wetenschap


I
(de Volkskrant, september 2007)


Rare zaak. De zaak Lucia de B. Hoe raarder en raarder, zou Alice zeggen. Je zet een stap in een moordzaak en je belandt in de wondere wereld van de wetenschap.
Dat ik aan Alice denk als ik over een rechtszaak begin, is overigens al een stuk minder raar. De schrijver van Alice in Wonderland, Lewis Carroll, liet haar aan het eind van haar verblijf in Wonderland opdraven in een rechtszaak over gestolen koekjes; als je dat rechtbankverslag eenmaal hebt gelezen, vergeet je het niet snel. Dat komt vooral door de Koningin, die bij het minste geringste roept: ‘Sla haar hoofd af!’ Maar het komt ook door de onvolprezen logica in de bewijsvoering.
In het dagelijks leven was Carroll wiskundige en hij had een duidelijk kritische kijk op de redeneringen die hij tegenkwam in de Britse rechtspraak van die dagen. ‘Wat weet je af van deze zaak?’ vraagt de Koning aan Alice. ‘Niets,’zegt ze. ‘Dat is heel belangrijk,’ zegt de Koning, en de juryleden schrijven dat ijverig op in hun schriftjes. Totdat iemand roept: ‘Onbelangrijk bedoelt Uwe Majesteit natuurlijk.’ En dan schrijven de juryleden dát net zo ijverig op.
De Koningin verliest uiteindelijk haar geduld; als de jury uitspraak dreigt te doen, zegt ze resoluut: ‘Nee, nee, eerst de veroordeling, dan de uitspraak.’ Maar gelukkig komt Alice hiertegen in verzet. ‘Grote onzin’, zegt ze. ‘Stel je voor, eerst de veroordeling!’ En zo begint de zaak van de gestolen koekjes te lijken op de zaak van Lucia de B., want veel commentatoren beweren dat in die hedendaagse zaak de stappen inderdaad in omgekeerde volgorde zijn gezet. Eerst is de verdachte schuldig verklaard, zeggen ze, toen is de misdaad erbij gezocht. Eerst de conclusie, dan het bewijs.

Het zijn vooral wiskundigen en wetenschapsfilosofen, collega’s van Lewis Carroll, die kritiek hebben op de gang van zaken rond Lucia de B. De verpleegster is tot levenslang veroordeeld, omdat ze zeven van haar patiënten, onder wie babies en kinderen, zou hebben vermoord met medicijnen. Er rees indertijd verdenking toen men vond dat de verpleegster wel erg vaak in de buurt was geweest van een raadselachtig sterfgeval. Dat kon geen toeval zijn, was de gedachte, en daarmee begon de vervolging en een verbeten strijd over statistiek.
Lange tijd dacht ik dat deze zaak bij rechters en kritische wetenschappers in goede handen was. Vooral toen wetenschapsfilosoof Ton Derksen een boek schreef en claimde dat er ernstige fouten zaten in de kansberekening waarmee de zaak tegen Lucia de B. was begonnen. Naar aanleiding van dit boek besloot de ‘Commissie Evaluatie Afgesloten Strafzaken’ – de commissie Posthumus II – de zaak in behandeling te nemen en te evalueren. Op dit moment is de commissie daarmee druk doende en ik moet er maar niet doorheen praten.
Toch, omdat ik van bezorgde Volkskrantlezers teksten kreeg toegestuurd, en omdat ik nieuwsgierig was, en omdat de zaak langzamerhand wel erg lang duurde, besloot ik er eens naar te kijken. En raakte vervolgens het meest bezorgd over de plaats van de wetenschap in het strafproces. Want los van incidentele fouten die in strafzaken worden gemaakt, is er door de wetenschappelijke vooruitgang vooral een fundamenteel juridisch probleem ontstaan. Het probleem, namelijk, dat de rechtspraak geen procedures kent om wetenschappelijke deskundigheid te beoordelen – en dus is de rechter afhankelijk van iedere deskundige die toevallig voorbij komt.
Niemand kan in deze tijd nog alle wetenschappelijke specialismes overzien, niemand kan nog alle kennis ordenen en controleren. Laat staan de rechter, die ook nog andere dingen aan zijn hoofd heeft in een strafproces. Hoe kan de rechter in de zaak tegen Lucia de B. dan in hoger beroep verklaren dat alle in aanmerking komende natuurlijke doodsoorzaken kunnen worden uitgesloten?

Natuurlijk heeft de rechter dat niet zelf bedacht, hij heeft het opgemaakt uit de woorden van een paar passerende medisch deskundigen. In het taaie proza van het rechterlijk vonnis heet het: ‘Kennelijk is de stand van de medische wetenschap thans zodanig dat een ter zake deskundige aan de hand van zich in het medisch dossier bevindende gegevens, in ieder geval bij kinderen, in staat is om alle mogelijke verklaringen voor het overlijden of het levensbedreigende incident tenminste als onwaarschijnlijk ter zijde te stellen en een externe oorzaak als enige mogelijke verklaring aan te wijzen.’
Het is een merkwaardige conclusie: ‘Kennelijk is de stand van de medische wetenschap thans zodanig’. De rechter weet het niet zeker, hij vermoedt hooguit iets over de stand van de medische wetenschap. En precies dat is gevaarlijk, schreef Mischa Cohen in maart van dit jaar in Vrij Nederland, het fenomeen dat rechters deskundigen soms blind volgen, waardoor ze het risico lopen zich te laten leiden door vermoedens in plaats van feiten. Hij schreef het naar aanleiding van de fatale rol die pedagoog Ruud Bullens had gespeeld in de zaak van de Schiedamse Parkmoord. Maar het zelfde gaat op voor andere deskundigen en voor andere wetenschapsgebieden. En het kon ook wel eens opgaan voor de zaak van Lucia de B.
Wat het probleem voor de rechter vervolgens nog groter maakt, is de parmantigheid die zich voordoet op vele wetenschapterreinen, de gretigheid waarmee deskundigen geneigd zijn van alles een prestigezaak te maken en vooral niet toe te geven dat ze iets niet weten. Dat is mijn voorlopige conclusie na het neuzen in de zaak tegen Lucia de B.: het zou zowel recht als wetenschap veel goed doen als mensen meer oog kregen voor wat ze niet weten. En bereid waren in gesprek te gaan met mensen die wel weten wat zijzelf niet weten.
En Alice? ‘Ik wou dat de rechtszitting voorbij was’, dacht ze, ‘en ze de verfrissingen rond gingen reiken!’ Dat zal Lucia de B. ook willen. Maar zo ver is het blijkbaar nog niet.



II.
(de Volkskrant, 1 december 2007)


Ik ben een dienaar. Ik ben in dienst van Nederland. Ik zal nooit iets schrijven dat het vertrouwen in ons vaderland kan schaden. Mijn zakken zitten vol citaten van grote schrijvers en beroemde filosofen, met potlood genoteerd op kleine papiertjes die ik neerleg voor de voeten van de mensen die belangrijker zijn dan ik, zoals je een mantel uitspreidt voor een dame die op hoge hakken door een plas regenwater waadt. De serieuze en belangrijke mensen zijn me daar dankbaar voor, want er is niets zo eervol als je voeten te laten neerkomen op de antieke woorden van Shakespeare en Goethe.
Ik kom in serieuze kringen en ik vertel bijvoorbeeld wat Heinrich Heine zegt over de hemel. ‘Hoe men in de hemel leeft, Madame, kunt u zich wel voorstellen, des te meer, omdat u getrouwd bent.’ De serieuze mensen lachen allemaal, omdat ze getrouwd zijn, en omdat ze weten hoe hemels hun vrouwen zich voelen. En ik vertel ze wat Heine verder zegt over de hemel. Dat je er wandelt op de halleluja-weide, dat er gebraden ganzen rondvliegen met juskommen in hun snavel, dat er bouillon en champagne door de beken stroomt en dat aan alle boomtakken servetten hangen.

Ik reis verder. Ik neem deel aan een gesprek over de vrijheid van de pers, de vrijheid van het geloof, en ik citeer de filosoof Albert Camus. ´Vroeger had ik geen enkel ander woord dan het woord vrijheid op de tong. Bij het ontbijt besmeerde ik mijn boterhammen ermee - je l´etendais au petit dejeuner sur mes tartines - ik kauwde er de hele dag op, en mijn adem rook verrukkelijk fris door dat woord vrijheid.’
Jawel, alle andere kleine papiertjes in mijn zakken staan ook vol met zulke mooie citaten, die, als je een tweede keer kijkt, allemaal over Nederland blijken te gaan. Want wat is dit een hemels en mooi land! Het woord vrijheid waait met pepermuntige frisheid over de halleluja-weiden en aan alle takken hangen witte, gesteven servetten waarmee we voorzichtig onze mond afvegen. De cultuur bloeit, het voetbal triomfeert, de rechtsstaat functioneert onberispelijk, het onderwijs kán gewoon niet beter.
Wat een mooi en onbedorven en innig tevreden land is dit. De zorg in Nederland is van zo’n ongekend hoog niveau! Als een gezinsvoogd er door de rechter op wordt gewezen dat ze in haar zorg voor een kind tekort is geschoten, barsten haar collega’s los in applaus. Want ze mag dan tekort zijn geschoten, ze wordt door de rechter wel mooi vrijgesproken van schuld aan de dood van het kind. Nu zijn de collega’s blij. Applaus voor jezelf!
Soms vergis ik me, dan denk ik dat er nog iets kleins valt te verbeteren aan Nederland. Moet ik niet denken. Vindt niemand leuk. Zo maak ik me een beetje zorgen om de rechtszaak tegen Lucia de B. Niet alleen om het lot van Lucia de B. zelf, maar ook om de fundamentele dingen die gaandeweg de zaak op het spel zijn komen te staan, zoals de betrouwbaarheid van de overheid en de geloofwaardigheid van de wetenschap.
Nadat een evaluatiecommissie had vastgesteld dat er fouten zijn gemaakt in de zaak, heeft de Hoge Raad nu gezegd dat er eerst nog onderzoek nodig is voordat een beslissing kan worden genomen over heropening van de zaak. Vooral ook omdat in het rapport van de evaluatiecommissie ‘is geconstateerd dat tussen ten minste twee deskundigen verschil van inzicht bestaat of – wetenschappelijk gezien – kan worden vastgesteld dat een patiëntje, dat werd verpleegd op de afdeling van het ziekenhuis waar mevrouw De B. werkzaam was, aan een digoxinevergiftiging is overleden.’
De rechter is kennelijk niet in staat de deskundigheid van een internationale specialist af te wegen tegen de deskundigheid van toevallig langswaaiende arts, en dat valt de rechter ook niet kwalijk te nemen. De evaluatiecommissie zei in haar rapport al nadrukkelijk ‘dat zij geen oordeel uitspreekt over de vraag wat in wetenschappelijk opzicht nu het meest juiste standpunt is’. Misschien kan de rechter inderdaad niet zelf aanwijzen welke deskundige wel of niet betrouwbaar is; maar dan zal iemand dat toch moeten doen, want nu begint door de rechtszalen en door de kranten een raar soort relativisme te waaien. Alsof alle deskundigen zomaar wat zeggen.

Een beetje bezorgd dus, was ik, over de zaak. Omdat de rechter volgens mij de zaak niet meer kan oplossen zonder dat we eerst serieus nadenken over wetenschap. Maar alle belangrijke mensen die ik daarover sprak, trokken hun wenkbrauw op. In Nederland, zeiden ze bestraffend, komt alles vanzelf weer goed; de wetenschap reguleert zichzelf automatisch, het recht houdt overzicht over alles, de rechters en wetenschappers begrijpen elkaar zonder woorden, en niemand, dat moest ik goed begrijpen, niemand maakt hier ooit fouten.
Tjonge, wat was ik opgelucht. Dit moet Sartre hebben beleefd toen hij door China reisde, die communistische heilstaat, en daar overal gelukkige Chinezen tegenkwam die vloeiend Frans spraken. Misschien had hij zich vooraf even zorgen gemaakt over onderdrukking, maar voilà, dat was nergens voor nodig geweest. De Chinezen spraken niet alleen geweldig Frans, ze hadden allemaal meer dan voldoende te eten gehad en ze gaven hoog op van de democratie in hun land en in hun partij. Daar hoefde je niets meer aan te veranderen.
Wat is dit een mooi land. Af en toe kom ik per ongeluk in de provincie, omdat mijn dienstkoets blijft steken in het slijk, en dan moet ik mijn tijd slijten in donkere dorpscafés met pluchen kleedjes op de tafels, waar de fanfare oefent in de achterkamer. En dan hoor ik dat sommige mensen toch bezorgd zijn over betrouwbaarheid van deskundigen en overheidsdiensten. Maar daar moet ik dus niet te lang blijven plakken, zoals ik ook niet te lang met u moet praten, want dat is onbeleefd tegenover al die mensen die nooit fouten maken. Ik ga naar bed en weet nu al dat ik goed zal slapen.


III
(de Volkskrant, 1 maart 2008)


De boekhandelaar op internet heeft over mij nagedacht . Als ik na een paar weken afwezigheid weer eens langskom op zijn site, heeft hij een paar suggesties voor me klaarliggen. Welkom Marjolijn, typt hij. Wat dacht je van dit boek? ‘Als je kind aan de drugs raakt’? Net iets voor jou.
Ik kijk verbaasd. Als je kind aan de drugs raakt? Ik heb helemaal geen kind. En als ik wel een kind had, zou het nooit aan de drugs raken. Dus klik ik zijn suggestie weg, maar hij geeft zich niet zo gemakkelijk gewonnen en komt aanzetten met een tweede boek. Kijk, Marjolijn. ‘In the Red: The Diary of a Recovering Shopaholic’. Nou?
Het kan niet anders, ooit moet ik iets hebben misdreven op de site van Bol.com, en nu denkt Bol dat ik er maar wat op los leef. Hoe komt hij anders op het idee me zulke boeken te verkopen? Misschien, bedenk ik opeens, heeft hij mijn adres opgezocht op de makelaarssite van Funda. Dan heeft hij in de buurtinformatie gelezen dat mijn buurt wordt bevolkt door Ambitieuze Beleggers (‘geïnteresseerd in wijnen en golf’) en Religieus Bewusten (‘geven veel aan goede doelen op het gebied van missie, zending en rampen’). Dat kan hem in een bepaalde richting hebben gestuurd. Maar waarom probeert hij me dan tegelijkertijd ‘Psychology of Dance’ aan te smeren? Wie denkt Bol eigenlijk wel dat ik ben?

Geen politieserie kan het tegenwoordig nog stellen zonder profiler, een psycholoog die profielschetsen maakt van criminelen, en ook in de rest van de samenleving rukt het profileren op. Iedere keer dat je een winkel binnenkomt of met een dienstverlener praat, ligt er al een volledig dossier over je klaar. En het zijn niet zozeer de verzamelde gegevens die verbazing wekken, als wel de conclusies die ze eraan verbinden.
Als ik een voorspelling mag doen, dan voorspel ik dat dit uiteindelijk tot problemen zal leiden. Want nieuwe technologieën en wetenschappelijke ontwikkelingen maken het wel mogelijk steeds meer gegevens over mensen te verzamelen, maar daarmee hebben we nog geen goede methode om al die gegevens ook om te zetten in verstandige conclusies – in kennis en waarheid. En dat gaat dus onherroepelijk een keer mis, het trekken van verregaande conclusies uit een ratjetoe van afzonderlijke feiten.
Eigenlijk gaat het zelfs nu al mis. En niet alleen bij Bol. Als iets me interesseert in een aantal grote strafzaken uit de laatste jaren, is het de vraag wie in zo’n strafproces nu precies in staat is losse feiten om te zetten in kennis. Allerlei deskundigen worden opgeroepen om iets te vertellen over allerhande deelonderwerpen – de psyche van de verdachte, DNA- en GPS-gegevens – en vervolgens zou de rechter die opgesomde feiten dan allereerst moeten beoordelen en er vervolgens conclusies aan verbinden. Dat is niet eenvoudig. En dat gaat dus vaak mis.

Als het misgaat, gaat het in twee stappen mis. Ten eerste bij de deskundigen zelf, die soms aan de rechter hun eigen verregaande conclusies voorleggen zonder enige onderbouwing. Een aantal wetenschappers heeft de laatste jaren schandelijk gebeunhaasd in strafzaken en civiele zaken. Leugenachtigheid, ijdelheid, winstbejag, gebrekkige opleiding, gebrekkige intelligentie en integriteit: de academische wereld mag zich best eens zorgen maken over het gedrag van sommige wetenschappers zodra ze hun werkkamer verlaten.
Ten tweede gaat het mis bij de rechter, die de gegevens zelf niet kan beoordelen – hij vraagt niet voor niets deskundigen om raad – en daaruit dan soms verkeerde conclusies trekt. Het is ook eigenlijk niet de rechter die zulke gegevens moet interpreteren, duiden, wegen en beoordelen. Hij is een leek. Er zou een een instantie moeten zijn die hem van voorziet van informatie waarop hij blindelings kan vertrouwen.
Het zorgelijkste van de situatie vind ik nog dat veel juristen hardnekkig weigeren dit probleem onder ogen te zien. Weigeren te accepteren dat steeds meer onoverzichtelijke informatie het recht binnenkomt, en dat je moet samenwerken met anderen om tot goede conclusies te komen. Een opmerkelijke staaltje van die weigering kwam ik deze dagen tegen in NRC/Handelsblad, waar advocate Bénédicte Ficq aan het woord kwam en zich beklaagde over de inmenging van ‘leken’ in rechtszaken.
Volgens haar zie je aan de zaken van Lucia de B. en Ernst Louwes dat mensen het oordeel van de rechter steeds moeilijker accepteren. ‘Natuurlijk heb je gerechtelijke dwalingen, zoals in de Schiedammer Parkmoord en de Puttense moordzaak. Maar daarmee is niet gezegd dat de burger deze zaken zelf beter kan beoordelen. Wij kennen in dit land geen lekenrechtspraak, en dat moet wat mij betreft zo blijven.’
Wat een opmerkelijke redenering. In al deze zaken was het immers juist de rechter die leek was. Want waarom waren er ook alweer gerechtelijke dwalingen in de Puttense moordzaak en de Schiedammer Parkmoord? Precies, omdat de ingeschakelde deskundigen aan het beunhazen waren, met hun ‘sleeptheorie’ en hun ondervragingstechnieken. De rechter nam hun verkeerde conclusies over omdat hij een leek was op hun gebied. Als andere deskundigen in zo’n situatie ingrijpen en de conclusies willen bijstellen – heet dat dan opeens lekenrechtspraak?

In het Nederlands Juristen Blad maakten een paar juristen het nog bonter. Deskundigen werden hier zo ferm mogelijk beledigd. Ze zouden een ‘volksgericht’ organiseren, over serieuze buitenlandse onderzoekers stond er dat ze ‘hun onderbuikmening slechts kunnen baseren op de desinformatie die in verschillende buitenlandse bladen is verschenen.’ En hier ging het dan om een beroepsgroep die aanvankelijk door de rechter zelf was ingeschakeld.
Bol.com kan het zich permitteren rare conclusies te trekken; het recht kan dat niet. Waarom sluiten de juristen dan zo krampachtig de rijen? Het is toch geen schande om vooruitgang te boeken?


IV
(de Volkskrant 5 april 2008)


Het is niet leuk om een querulant te zijn: als je gelijk hebt, dan krijg je het niet. Het kenmerk van de doorgeslagen querulant is dat hij vervolgens deze als-dan-redenering rigoreus omdraait. Als hij geen gelijk krijgt, concludeert hij, heeft hij het dus wel. En omdat hij nooit gelijk krijgt, heeft hij het op die manier altijd.
Ik heb een voorliefde voor querulanten. Vooral omdat ze aanvankelijk met belangrijke en relevante kritiek komen, door hun angstige omgeving worden genegeerd en tegengewerkt, en dan toch manmoedig volhouden. Dat wekt bewondering. Problemen ontstaan pas wanneer de scherpe criticus geen maat weet te houden en overal misstanden ziet waar ze niet zijn. Dan begint zijn kritiek vervelend te worden. Zoals de Duitse literatuurcriticus Werner Ross zegt: ‘Auch Kritik kann zur Manie werden: Man schmeckt vor lauter Haaren die Suppe nicht mehr.’

De scheidslijn tussen de nuttige vasthoudenheid en het lastige drammen is vaag. Daarom kan het gebeuren dat iemand als lastpak wordt neergezet, terwijl hij in feite het grootste gelijk van de wereld heeft en daardoor belangrijk zou kunnen bijdragen aan de oplossing van een probleem, als iemand maar naar hem zou willen luisteren. Volgens een medisch woordenboek op het internet is een querulant iemand met een karakterstoornis, ‘die zich steeds onbillijk behandeld acht, die steeds bezwaren opwerpt of ruzie zoekt’. Maar het woordenboek relativeert dat oordeel meteen. ‘Men kan zich ook voorstellen dat een neiging tot queruleren in bepaalde omstandigheden zelfs gunstig kan werken.’
Dat ik steeds dieper geinteresseerd raak in querulanten, komt doordat ik er steeds meer leer kennen. Ze schrijven mij. En naarmate ik er meer leer kennen, kom ik steeds vastbeslotener tot de conclusie dat mensen net zo vaak ten onrechte tot querulant worden bestempeld als terecht. De tegenpartij maakt namelijk maar al te gemakkelijk misbruik van alle verwarring. Als je geen zin hebt in kritiek, kun je je aanvaller beschuldigen van een ernstige persoonlijkheidsstoornis: hij is helemaal geen criticus, hij is een querulant.
Naarmate ik sommige briefschrijvers dus langer ken, merk ik steeds vaker tot mijn schrik dat het omgekeerde ook kan gebeuren. Dan ontwikkelt een normale criticus zich inderdaad tot een ziekelijke ruziezoeker. Het begint met de serieuze verontwaardiging over een concrete misstand in de samenleving, en het ontaardt door alle tegenwerking uiteindelijk in een chaotische wirwar van beschuldigingen en complottheorieën. Ben ik aanvankelijk nog serieus met de briefschrijver in gesprek, een jaar later kan de communicatie volstrekt onmogelijk zijn geworden. In deze fase reageert de querulant niet meer op argumenten - hij leeft onder het motto van George Bush: wie niet voor mij is, is tegen mij.

Die ontwikkeling van normale criticus tot dolgedraaide querulant is in 1810 mooi beschreven door Heinrich von Kleist in zijn novelle ‘Michael Kohlhaas’. Het verhaal gaat over een paardenhandelaar die op weg naar Sachsen twee paarden als onderpand moet achterlaten, omdat hij geen paspoort heeft. Achteraf blijkt dat hij helemaal geen paspoort nodig had, en als hij dan ook nog zijn paarden verwaarloosd en verhongerd terugkrijgt, komt hij in verzet. Hij wendt zich tot het gerecht om schadevergoeding.
Tot zover een tamelijk alledaagse zaak, maar als Kohlhaas merkt dat hij zijn vergoeding niet krijgt, dat corruptie en nepotisme tussen hem en zijn recht instaan, verliest hij de verhoudingen uit het oog en hij trekt moordend en brandstichtend door de omgeving. Dat had hij natuurlijk niet moeten doen; Michael Kohlhaas is de querulant in zijn meest afschuwelijke gedaante.
Toch hebben veel rechtsgeleerden een zekere sympathie voor Kohlhaas, want hij komt op voor zijn recht en daarmee voor het recht in het algemeen. Rechtswetenschapper Bart van Klink legt in een commentaar op de zaak de schuld daarom niet exclusief bij de paardenkoopman, maar ook bij de autoriteiten die hem in de steek hebben gelaten. ‘In de zaak Michael Kohlhaas was er heel wat ellende voorkomen, wanneer de betrokken autoriteiten eerder hun verantwoordelijkheid hadden genomen.’

Zo is het, en als niet af en toe iemand eigenwijs zou zijn, zouden we met zijn allen in een moeras zinken van gemakzucht en vriendjespolitiek. Naarmate ik er langer over nadenk, vind ik daarom het gevaar van negeren het grootst. Liever af en toe een lastpak onnodig te woord staan, dan doen alsof iedere rechtzoeker krankzinnig is en iedere vorm van kritiek verdacht. Dat zo’n rechtzoeker opmerkelijk veel brieven in het rond stuurt, lijkt vooral verstandig, zelfs als dat, zoals Wikipedia het noemt, ‘tot gênante taferelen’ leidt en tot verzoeken aan de koningin. Een beetje opschudding kan geen kwaad en de koningin kan wel wat hebben.
Henk Blanken van het Dagblad van het Noorden schreef ooit over de omgang van kranten met de querulant. De redacties hanteren een zwarte lijst, schreef Blanken. ‘Daarop staan de namen van De Querulant en zijn soortgenoten. Soms staan er opmerkingen achter die namen: “In geen geval terugbellen; knettergek!” is de mildste die ik me herinner.’ Jawel, sommige mensen zijn inderdaad doorgedraaid en verdienen geen repliek. Maar ik krijg wel eens het gevoel dat veel organisaties iedere briefschrijver voor knettergek verslijten. Zo komen veel meer mensen op zwarte lijsten terecht dan verdiend.

Deze week is de verpleegster Lucia de B. voorlopig vrijgelaten en het bewijs tegen haar wordt sterk in twijfel getrokken. Dat is mooi. Het resultaat heeft ze te danken aan een paar hardnekkige critici in deze zaak, die aanhoudend door allerlei gezaghebbende juristen voor querulant en knettergek zijn uitgemaakt. Ik hoop dus nu maar dat die gezaghebbende juristen in het vervolg met dat verwijt wat voorzichtiger zijn.


tekst © 1989-2018 Maxim Februari
Powered by Travel-n-Traffic
X
X